Van Kapittel tot Sociëteit – Het Verhaal van Mariaplaats 14
Stap binnen en voel hoe 900 jaar Utrecht door de muren fluistert.
De deur zwaait open. Een koude luchtstroom waait je tegemoet, niet van nu, maar van eeuwen her. Stap binnen, en luister. Het huis vertelt.
In de verte klinkt geklop. Steenhakker Lambertus hakt blok na blok uit grijze tufsteen. Het is 1125, en hij bouwt aan een droom: de Mariakerk. De hof van Sint Maria is een besloten wereld, afgesneden van het rumoer van de stad. Monniken schuifelen langs, hun kappen diep over het gezicht. Lambertus pauzeert, zet zijn beitel neer en bijt in een stuk roggebrood. Hij kijkt omhoog, naar bogen die hoger en hoger reiken. ‘Dit zal blijven,’ mompelt hij, ‘als God het wil.’
Je loopt verder, de geur van nat steen verdwijnt, en opeens sta je in een tuin vol kruiden. Het is 1350. Jan, een kanunnik, wandelt langzaam tussen munt en salie. Hij reciteert psalmen, het monotone ritme mengt zich met het getik van regen op de kloostergang. Hier, binnen deze muren, voelt de wereld veilig. De poorten naar de stad blijven gesloten; God regeert.
Maar luister: er klinkt muziek. Een snaar wordt aangeslagen, stemmen praten op zachte toon. Je bent in 1530. Zon valt door kleine ramen op tafels vol boeken en perkament. Hier woont Jan van Scorel, schilder en humanist. Hij buigt over een paneel, penseel in de hand, terwijl hij in zichzelf mompelt: ‘Meer licht. Meer ruimte.’ Zijn werk ruikt naar olieverf en Italiaanse ideeën. Hij kijkt op, glimlacht en zegt tegen een vriend: ‘De wereld is groter dan we dachten.’
Je draait om en stoot bijna tegen een tafel vol tinnen kannen. Gelach vult de kamer. Het is 1680. Cornelia, weduwe en herbergierster, houdt de zaak draaiende. Soldaten vertellen sterke verhalen, hun laarzen klossen op de houten vloer. De lucht is zwaar van bier en rook. In een achterkamer valt een deur half dicht. Hier wordt gehandeld, in geld, in goederen – en soms in geheimen.
Dan wordt het stil. Je voelt warmte, maar anders: gaslicht flikkert op donker hout, mahonie en spiegels. Het is 1869. Het eerste bestuur heft het glas: ‘Op onze nieuwe sociëteit, heren!’ Gelach stijgt op, sigaren gloeien op in de schaduw. Er wordt gesproken over spoorlijnen, over koloniën, over de toekomst van de stad. De kamer ruikt naar wijn, sigaren, vriendschap en naar vertrouwen.
Je loopt door en hoort zacht gerinkel van glazen in een zomertuin. Het begin van de 20e eeuw. Industriëlen spelen kegel, discussiëren over kunst, techniek en moraal. Het voelt als zekerheid, als een wereld die onwankelbaar lijkt.
En dan, ineens, ben je terug in het heden. Beneden bruist Brasserie Marie. In de tuin klinken zachte stemmen en het rollen van petanqueballen op grind. Iemand sluit zijn laptop, heft zijn glas Bourgogne en lacht. Want dit huis leeft. Het ademt zijn geschiedenis, maar schrijft ook elke dag een nieuw hoofdstuk.
Welkom op Mariaplaats 14. Hier is de tijd niet voorbij – hij heeft zich gewoon genesteld tussen deze muren.
Mariaplaats 14 - een rijke historie
De geschiedenis van de sociëteit is nauw verbonden met het pand aan de Mariaplaats 14 in hartje Utrecht, waar de sociëteit sinds 1872 domicilie houdt. In de eerste drie jaar van haar bestaan was de sociëteit (opgericht in 1869) gevestigd in de toenmalige schouwburg aan het Vredenburg, in een bovenzaal toebehorend aan J. Wolters, “restaurant, koffijhuis- en stalhouder”.
Mariaplaats 14
Het huis aan de Mariaplaats werd in 1872 door de sociëteit aangekocht, maar kent een geschiedenis die veel verder teruggaat. De voorgeschiedenis begint halverwege de elfde eeuw als bisschop Bernold van Utrecht begint aan de bouw van het “Kerkenkruis”. De St. Mariakerk vormde het westelijk deel van dit kruis. De bouw van de St. Mariakerk begon rond 1085 onder bisschop Koenraad en in 1099 werd het koor gewijd. Rond 1160 werd de kerk voltooid. Rond de in de negentiende eeuw afgebroken kerk bevond zich de immuniteit van St. Marie met daarbinnen verscheidene Kanunnikenhuizen.
Restauraties
Eén van deze huizen kan gezien worden als voorloper van het huidige pand aan de Mariaplaats 14. In het pand bevinden zich nog de tufstenen resten van bebouwing uit de twaalfde eeuw, maar het eigenlijke gebouw stamt uit de veertiende eeuw. Tijdens de grote restauratie in 1994-1995 zijn in de opkamer restanten van fresco’s uit 1525 teruggevonden. In 1530 was Jan van Scorel, een van Utrechts bekendste schilders en tevens kanunnik, korte tijd een van de bewoners. In de loop der eeuwen is het pand vele malen verbouwd en vergroot. Tot 1922 was het adres Mariaplaats 15.
De aankoop
Later kreeg het huis diverse functies, waaronder woonhuis. 1864 overleed de laatste bewoonster, Jasparina Noot, weduwe van mr. Jan de Kock, die het pand in 1822 had gekocht. Erfgenaam IJsbrand de Kock, burgemeester van Bunnik, Odijk en Werkhoven en griffier van de Staten van Utrecht, verkocht het in 1872 aan sociëteit “De Vereeniging”. De Grote Zaal, nu het kloppend hart van het verenigingsleven, is in de jaren 1880 aangebouwd waarmee het gebouw zijn huidige vorm kreeg.
De Vereeniging
Over de oprichting van “De Vereeniging” is niet zo heel veel bekend. Zoals vaker in dit soort gevallen zullen er mensen met ideeën hebben rondgelopen en ineens is het zover. “De Vereeniging” zelf herleidt haar geschiedenis tot 1869, maar officieel bestaat de sociëteit ‘pas’ sinds 16 maart 1872, de dag waarop de statuten door koning Willem III bij Koninklijk Besluit werden goedgekeurd. In het Introductieboek, dat heden ten dage dienst doet als inschrijfboek voor nieuwe leden, is sprake van een eerste (?) bijeenkomst op 7 november 1869. Een ander “bewijs” zijn de aandelen, in feite obligaties, uitgegeven in 1887.
Wat opviel aan het eerst vermelde bestuur was de samenstelling: verschillende religies en verschillende beroepen. Dit in scherp contrast met oudere sociëteiten die meestal erg eenzijdig (en elitair) waren samengesteld. Het eerste bestuur van “De Vereeniging” kende een advocaat en verder vooral verschillende soorten kooplieden; bekend is dat er in ieder geval een katholiek, een jood en een lutheraan zitting hadden in het bestuur. Voor de tweede helft van de negentiende eeuw mag dat opmerkelijk worden genoemd. De gemengde samenstelling van het eerste bestuur weerspiegelde zich ook in de samenstelling van het ledenbestand. Dit zou heel goed een belangrijke reden kunnen zijn waarom de sociëteit vele stormen heeft doorstaan – al was het soms kantje boord – en ook aan het begin van de eenentwintigste eeuw nog groeit en bloeit.
Vervolg
“De Vereeniging” kende ook toen al een café- en restauratievoorziening voor de leden. In 1906 werd het voor de inkomsten noodzakelijk de Grote Zaal te exploiteren en kwam er een café-restaurant, maar dan wel met een aparte entree naar de straatzijde. Het huis bood ook onderdak aan diverse clubs, al dan niet verbonden aan “De Vereeniging”. Ook dit weer ten behoeve van de exploitatie. Populair was bijvoorbeeld de kegelbaan die in de jaren 1890 in het Achterhuis werd aangelegd. Deze baan werd gebruikt door de eigen kegelclub Columbumbus, maar ook door andere kegelclubs uit de stad.
Het ledenbestand en daarmee ook de financiële positie van de sociëteit vertoonde de afgelopen 140 jaar grote schommelingen. In mindere tijden werden de ballotagecriteria soms versoepeld, maar dit riep vaak weerstand op. Tussen 1887 en de jaren vlak na de Tweede Wereldoorlog kende “De Vereeniging” gewone leden en leden-aandeelhouders. In 1887 waren namelijk sociëteitsaandelen uitgegeven om de financiële basis te versterken. Vanuit financieel oogpunt een verstandige zet, maar het creëerde wel twee soorten leden, waarbij de aandeelhouders als minderheid het beleid grotendeels bepaalden. Op ledenvergaderingen kwamen zij eerst onder elkaar bijeen en pas daarna mochten de gewone leden voor spek en bonen mee vergaderen. Vlak na 1945 werden de aandeelhouders uitgekocht en werd de formele gelijkheid van alle leden weer in ere hersteld.
Ook na de Tweede Wereldoorlog heeft “De Vereeniging” het niet altijd gemakkelijk gehad. In de woeste jaren zestig en zeventig was de tijdgeest bepaald niet in het voordeel van sociëteiten, maar ook deze stormen wist “De Vereeniging” te doorstaan. Zeker na de grootscheepse restauratie in de periode 1995-2003 staat “De Vereeniging” er weer prima voor, met een groeiend en actief ledenbestand. Zonder strenge ballotage en standsverschillen, maar met respect voor tradities.
Lees meer over hoe Sociëteit de Vereeniging haar deuren opent voor het publiek